Home | Sitemap
Lettertype
Zoeken





Ik heb op of aanmerkingen
Ik heb aanvullende informatie

Kinderen met CI 

Recent onderzoeksrapport naar (o.a.) de taalontwikkeling van jonge CI-kinderen kritisch bekeken door OPCI.

"Wel of geen gebaren gebruiken voor mijn CI-kind?" Een vraag waar ouders van CI-kinderen vaak mee worstelen. Een recent verschenen onderzoeksrapport lijkt een antwoord te geven op deze vraag. Daarom heeft OPCI  het rapport nauwkeurig bestudeerd. Helaas kan OPCI niet alle conclusies en aanbevelingen onderschrijven. 

Recentelijk publiceerden de NSDSK (Nederlandse Stichting voor het Dove en Slechthorende Kind, Amsterdam), ONICI (Onafhankelijk Informatiecentrum over Cochleaire Implantatie, Zonhoven, België) en KIDS (Koninklijk Instituut voor Doven en Spraakgestoorden, Hasselt, België) het rapport "Onderzoek naar de ontwikkeling van jonge dove kinderen met een cochleair implantaat in een tweetalige omgeving", door C.H. Wiefferink, L. De Raeve, G.W.G. Spaai, V.T.Wenners-Lo-A-Njoe, B.A.M. Vermeij en N.N. Uilenburg.   Het onderzoeksrapport is in zijn geheel te lezen op http://www.nsdsk.nl/?sub=nsdsk&pagina=actueel 

In het vier jaar durende onderzoek werden 7 Nederlandse CI-kinderen vergeleken met 15 Belgische CI-kinderen. De 7 Nederlandse kinderen werden ‘2-talig' opgevoed en de 15 Belgische kinderen ‘eentalig'.

Wie dit rapport snel even inkijkt, leest als eerste conclusie: "Zowel het begrip als het gebruik van gesproken Nederlands lijkt beter te zijn bij kinderen die opgroeien in een eentalige omgeving dan bij kinderen die opgroeien in een tweetalige omgeving. Hoewel niet alle verschillen significant waren, is er duidelijk een trend waarneembaar dat gesproken Nederlands van eentalige kinderen a) zich sneller ontwikkelt en b) op een hoger niveau is op 36 maanden na CI-implantatie."

Dat is een nogal opzienbarende conclusie. Te meer daar er in de wetenschappelijke literatuur over dit onderwerp veelvuldig op gewezen wordt hoe moeilijk het is om conclusies te trekken over het verband tussen het gebruik van gebarentaal en de ontwikkeling van gesproken taal. (zie bv. Knoors in "Effecten van Cochleaire Implantatie bij kinderen, een breed perspectief" door Truus van der Lem en Gerard Spaai. Uitgeverij van Tricht, 2008)

Wie het rapport verder doorleest, vindt uiteindelijk grote verschillen tussen de onderzoeksgroepen. Daarmee blijven de niveauverschillen tussen de Nederlandse en de Belgische kinderen qua begrip en gebruik van gesproken Nederlands wel overeind, maar er kan zeker niet geconcludeerd worden dat deze niveauverschillen ontstaan zijn door het al of niet gebruiken van gebarentaal.

Want behalve dat de onderzoeksgroep klein is (22 totaal), zijn de twee groepen op cruciale punten erg verschillend:

  • De leeftijd van implantatie: in België gemiddeld jonger.
  • De duur en intensiteit van specialistische begeleiding: in België werd veel sneller na de geboorte begeleiding gegeven en de kinderen kregen (veel) meer contacturen begeleiding; dit zorgde voor een rijk taalaanbod en veel stimulatie, maar ook voor het sneller oplossen van technische problemen; bij de Nederlandse kinderen werden de CI's soms langere tijd niet gedragen.
  • De hoorrevalidatie voorafgaand aan implantatie: in België hadden de kinderen voorafgaand aan de implantatie een betere ‘hoordrempel' met hun hoortoestel dan de Nederlandse kinderen.
  • In België was het merendeel van de kinderen 2-zijdig gerevalideerd: óf met 2 CI's of met een CI plus een hoorapparaat.

En hoewel de groepen steeds worden aangeduid met ‘eentalig' versus ‘tweetalig' is die scheiding niet zuiver, omdat de meeste  kinderen in de ‘eentalige' groep wel gebaren aangeboden kregen, zowel vóór als na implantatie, zo blijkt bij lezing van het rapport. Daarnaast beheersen horende ouders de gebarentaal zelden zo goed dat er werkelijk sprake is van een tweetalige situatie. Daarom kun je niet zomaar stellen dat de Belgische kinderen een ééntalige opvoeding hebben gehad en de Nederlandse kinderen een tweetalige opvoeding.

Dit rapport leidt, wat OPCI betreft, dus niet tot een aanbeveling om geen gebarentaal te gebruiken voor CI-kinderen.  De aanbeveling in het rapport: "Het is wenselijk dat al in een vroeg stadium besloten wordt of het kind met een CI eentalig of tweetalig wordt opgevoed" kan OPCI ook niet onderschrijven. Enerzijds omdat niet is aangetoond dat ééntalige opvoeding een betere taalontwikkeling van het gesproken Nederlands oplevert. Maar ook omdat,  zo blijkt uit ander onderzoek (o.a. Jet Isarin: "Zo hoort het", 2008) slechthorende jongeren die zonder gebaren zijn opgegroeid regelmatig vereenzamen en alsnog op latere leeftijd aansluiting zoeken bij de dovenwereld.

Het is jammer dat het rapport nergens stilstaat bij het belang van het aanbieden van gebaren(-taal) vóór de implantatie. Juist voor ouders die net te horen hebben gekregen dat hun baby doof is, is het van groot belang om met gebaren en/of gebarentaal te beginnen. Immers ook vóór implantatie dient te taalontwikkeling gestimuleerd te worden. En willen ouders met hun kind kunnen communiceren. Bovendien is er van te voren helaas geen zekerheid dat een CI voldoende goed gaat functioneren, want ondanks de aardige gemiddelde resultaten, zijn er géén garanties in individuele gevallen. Dat betekent dat sommige kinderen óók na implantatie dooffunctionerend - en dus aangewezen op gebarentaal - zullen blijven. Reden te meer om zo vroeg mogelijk, vóór implantatie, met gebarentaal te beginnen.

Een tweetal andere aanbevelingen van het rapport lijken minder controversieel:

  • 1) Het is belangrijk het CI op een zo jong mogelijke leeftijd te implanteren. Hoe jonger het kind is als het een CI krijgt, des de voorspoediger verloopt de gesproken taalontwikkeling.
  • 2) Het is wenselijk dat Nederlandse kinderen met een CI vóór de leeftijd van 2,5 jaar meer tijd doorbrengen op peutergroepen waar professionals hem begeleiden bij de taalontwikkeling en dat de gezinsbegeleiding eerder start. Dit laatste is overigens (inmiddels) al gerealiseerd in Nederland.

Wilt u reageren op dit stuk? Schrijf naar info@opciweb.nl