Met gebaren stoppen na CI?

Harry Knoors

In zijn blog voor Kentalis schrijft Harry Knoors over het gerucht dat een CI team ouders zou adviseren om te stoppen met gebaren. Want het gebruik van gebarentaal zou de geluidverwerking door de hersenen verstoren. Knoors schrijft in zijn blog dat het niet zo zwart-wit is als men denkt.

Er waart een gerucht door Nederland. Een CI team zou ouders adviseren om te stoppen met gebaren. Hun dove baby heeft een cochleair implantaat. Want visuele prikkels zouden de verwerking van geluid en spraak door de hersenen hinderen. Zou uit wetenschappelijk onderzoek blijken …

Altijd gehoopt dat dit soort praktijken ons land voorbij zouden trekken. Dat we de nuance in de gaten zouden houden. In plaats van een en hetzelfde recept voor alle kinderen aanbevelen. Dat wij in ons land CI teams hebben die meer tinten dan alleen zwart of wit op hun palet hebben. Maar helaas, naar verluid is er minstens één team dat het zuivere oralisme herontdekt heeft.

Nu wijst onderzoek inderdaad uit dat de auditieve hersenschors ook visuele of tactiele prikkels gaat verwerken als langdurig geen geluiden worden waargenomen. En daarmee gaandeweg de functie verliest om geluid te verwerken. Dat blijkt vooral uit dieronderzoek. Maar ook onderzoek bij dove mensen die geïmplanteerd zijn wijst in deze richting. Auditieve gebieden in onze hersenen die voor visuele of tactiele informatieverwerking worden ingezet. Door visuele en tactiele prikkelverwerking worden gekoloniseerd. Dit wordt ook wel crossmodale plasticiteit genoemd. Het vermogen van de hersengebieden om prikkels uit een andere modaliteit te gaan verwerken als prikkels uit de oorspronkelijke modaliteit uitblijven.

De kernvraag is echter of deze crossmodale plasticiteit met verlies van de oorspronkelijke functionaliteit nu het gevolg is van auditieve deprivatie of in de hand gewerkt wordt door een aanbod van visuele prikkels. En in het verlengde daarvan, moeten we dan alle kaarten in revalidatie op het horen zetten en gebaren of zelfs spraakafzien vermijden?

Het is nog maar de vraag of we resultaten uit dieronderzoek zomaar van toepassing kunnen verklaren op mensen. Zeker als het gaat om auditieve perceptie. Want bij mensen gaat het in tegenstelling tot dieren niet alleen om geluidsperceptie. Bij hen gaat het vooral ook om spraakperceptie. En dus niet alleen om hoorontwikkeling. Maar ook om taalontwikkeling. En in veel fundamenteel onderzoek op hoorgebied wordt alleen naar perceptie gekeken. Vaak van geluid, soms van spraak. Maar de taalontwikkeling wordt als mogelijk beïnvloedende factor niet meegenomen.

Bovendien ken ik geen enkel doorslaggevend onderzoek dat wijst op het belang van reductie van visuele prikkels. Er lijken eerder aanwijzingen te zijn dat een aanbod van stimuli uit meerdere modaliteiten productief kan zijn. Natuurlijk staat het buiten kijf dat auditieve stimulering na cochleaire implantatie essentieel is. Maar dat wil nog niet zeggen dat het slecht zou zijn om die gesproken taal ook met je ogen waar te nemen. En spraak dus niet alleen te horen, maar ook af te zien. Of dat spraakondersteunende gebaren per definitie kwaad kunnen. Dan wel dat naast een gesproken taal geen gebarentaal aangeboden kan worden.

Maar veel onderzoeken laten toch zien dat geïmplanteerde kinderen die gebarentaal gebruiken minder vaardig zijn in gesproken taal? Dat klopt. Maar uit die onderzoeken wordt niet duidelijk wat de oorzaak hiervan is. Komt het door het gebruik van gebarentaal zelf? Of ligt het aan de kwaliteit van de gebarentaal die (vaak horende) ouders aanbieden? Aan het (late) tijdstip waarop dat gebarentaalaanbod gebeurt? Of krijgen wellicht alleen dove kinderen met cognitief minder mogelijkheden gebaren aangeboden? Kortom, de resultaten in deze onderzoeken kunnen niet zomaar herleid worden tot het gebruik van gebaren. Andere factoren kunnen net zo goed van invloed zijn. Daarnaast zijn er ook onderzoeken die juist heel positieve effecten van het gebruik van gebaren bij geïmplanteerde kinderen laten zien. Misschien te weinig om CI teams te overtuigen. Maar te veel om zomaar genegeerd te worden.

Zo is onlangs een onderzoek gepubliceerd naar de gesproken taalontwikkeling van geïmplanteerde dove kinderen met dove ouders. Kinderen die met Amerikaanse Gebarentaal zijn opgevoed. Maar tegelijkertijd ook een goed aanbod van gesproken taal hebben gekregen. En die kinderen blijken verrassend vaardig in gesproken taal te zijn. Toch vreemd als hun auditieve hersenschors in beslag genomen is door de visuele gebarentaal, niet? Of staat gebruik van deze visuele taal daar toch los van? Is de auditieve cortex bij deze kinderen nog steeds in staat om spraak verwerken omdat deze kinderen vroeg auditief gestimuleerd zijn? En zijn ze zo bijzonder vaardig in gesproken taal omdat ze al over een toegankelijke (gebaren)taal beschikten voordat het implantaat zijn werk kon doen?

En zonder ook maar iets af te willen afdingen op het succes van vroegtijdige cochleaire implantatie: Moeten we niet ook onder ogen zien dat nogal wat dove kinderen er veel minder profijt van hebben. Mogelijk doordat hun executieve functies aangedaan zijn, waardoor bijvoorbeeld het werkgeheugen minder goed functioneert?

Dus om nou het gebruik van gebaren in de vroege communicatieve en taalontwikkeling te gaan ontmoedigen? In alle gevallen? Lijkt me nogal kort door de bocht. Typisch voorbeeld van het prediken van één zaligmakende oplossing voor iedereen. Even vergeten dat ‘one size fits none’. Maar ja, het is maar een gerucht. Toch? Zou fijn zijn als het niet blijkt te kloppen. Gaan we met zijn allen net even met een geruster hart de vakantie in.

Bron: klik hier

 

Deel dit bericht via : Share on FacebookTweet about this on Twitter